Absoluut gehoor

Absoluut gehoor (AG) is een schaars voorkomend fenomeen: en wel met een prevalentie van 1:5000 tot 1:10000.[9][11] Het is het benoemen van noten zonder enige referentie, hoewel deze definitie eigenlijk nog nader bekeken dient te worden. Het gaat waarschijnlijk verder dan het benoemen van de tonen wat eigenlijk louter een verbale koppeling is. Het is te zien als een symptoom van iets met een dieper gelegen oorsprong. Er wordt o.a. beweerd dat het muzikale geheugen van mensen met AG beter is. Er zijn meerdere theorieën waarbij mensen met AG anatomische veranderingen vertonen alvorens ze de verbale koppeling maken, bijvoorbeeld door extra zenuwbanen die AG informatie direct naar de cortex brengen.[11][19]
Een toon bestaat uit twee dimensies de hoogte en de specifieke klank van een toon die zich elk octaaf herhaald (zoals de scherpere klank van een F# in vergelijking met een G). Deze specifieke klank staat los van de klankkleur/timbre die instrumenten aan de toon toevoegen. Met AG wordt het benoemen van toonhoogtes bedoeld, maar eigenlijk is deze specifieke klank een betere definitie. Mensen met AG maken vaak octaaf fouten wat duidt op het horen van de specifieke klankkleur in plaats van het horen van de hoogte.[16]

Tot op heden is er veel onduidelijkheid over de grondslag van AG. Bij het beschouwen van dit onderwerp is het belanden in een discussie over nature versus nurture onvermijdelijk. Ook al kan het niet geheel aangeboren zijn wanneer de definitie van tonen benoemen wordt gehanteerd, aangezien de arbitraire nomenclatuur van de frequenties natuurlijk aangeleerd is.
Er is een miljoenenbusiness ontstaan, opgericht met als doel het aanleren van absoluut gehoor. Dit is natuurlijk vreemd aangezien het nog helemaal niet duidelijk is of het wel aan te leren is. Het is dus een economisch interessant gebied waarbij de vraag rijst waarom dit zo gewild is.

Muzieklessen spelen een belangrijke rol. Muzieklessen kunnen zich richten op het bespelen van het instrument en begrijpen en toepassen van de muziektheorie maar ook op het trainen van het gehoor. Dit laatste wordt solfège genoemd. Bij solfège wordt het gehoor getraind door het zingen van bladmuziek, benoemen van intervallen, herkennen en zingen van toonladders en het benoemen van akkoorden en tonen. Tegenwoordig is solfège een breed begrip en omvat vele aspecten voor het trainen van gehoor en ritme ongeacht het instrument dat men bespeelt.

AG wordt geassocieerd met muzikale genieën. De prevalentie onder de grote klassieke en hedendaagse componisten is veel hoger dan waar dan ook. Groteheden als Mozart, Beethoven, Chopin, Miles Davis en Nat King Cole hadden allen een absoluut gehoor. Soms gaat men zo ver door te zeggen dat het een vereiste is om een muzikaal genie te worden. Hoewel dit natuurlijk overdreven is, want een relatief gehoor is misschien nog wel belangrijker is dan absoluut gehoor. Muziek bestaat uit de relaties tussen tonen, het creëren van spanning en ontspanning. Dit is een aspect van relatief gehoor (RG), het benoemen van de intervallen tussen tonen. De term relatief gehoor wordt gebruikt voor het benoemen van de intervallen tussen tonen en is belangrijk bij het onderzoek naar absoluut gehoor.

Absoluut gehoor zorgt ervoor dat het stemmen van instrumenten, het zingen van bladmuziek, het horen van de verschillende partijen van de individuele instrumenten in een stuk en het onthouden van stukken vergemakkelijkt wordt. Toch zijn er ook nadelen aan verbonden. Bij het transponeren van een stuk (waarbij het stuk in een andere toonsoort wordt gespeeld) vinden mensen met AG het moeilijk om te zeggen of het hetzelfde stuk is en het voelt verkeerd aan. Een vergelijking uit het onderzoek van DJ levitin[9]: het horen van een stuk in een andere toonsoort is te vergelijken met een supermarkt in lopen en te zien dat alle bananen oranje zijn, de appels paars en de sla geel. Het is dus ook moeilijk om toon te houden in een koor dat niet toonvast is. Een ander probleem dat is waargenomen is de verschuiving van de waarnemingen bij het ouder worden, bijvoorbeeld de A die normaliter bij 440Hz als A wordt waargenomen dan bij 400Hz (het voorbeeld is overigens niet gebaseerd op waarheidsgetrouwe getallen).
In het hieropvolgende stuk zullen de mythes, theorieën en discussies nader bekeken worden in de hoop wat duidelijkheid te verschaffen over dit fenomeen. Hebben mensen met AG een beter geheugen, waar ligt de oorsprong, is het louter muziekgebonden, is het aangeleerd of aangeboren, wat is de etnische variatie en wat is de relevantie van AG.[9][10][11]

4.2 Onderverdeling

Een belangrijk aspect is de definitie van AG. In het Engels bestaan er twee termen voor namelijk “absolute pitch” en “perfect pitch”. Deze termen worden te pas en te onpas gebruikt. Absolute pitch wordt gebruikt bij het benoemen van tonen zonder beperkingen, waarbij perfect pitch gebruikt wordt bij het benoemen van tonen met enige beperkingen zoals het vermogen om maar één of een paar tonen te benoemen, of chroma (mollen, kruizen, normaal; verschil tussen zwarte en witte toetsen op de piano) of de tonen van maar één instrument. De term absoluut gehoor die hier wordt gebruikt refereert naar de eerste groep.
Een ander belangrijk onderscheid wordt gemaakt in het onderzoek van Ross et.al[11]. Hier worden drie groepen gemaakt, de APE (ability to perceptually encode), HTM (heightened tonal memory) en NAP (non absolute pitch). Deze indeling heeft grote relevantie voor de nature-nurture-discussie. Het probleem is dat bij veel andere onderzoeken dit onderscheid niet wordt gemaakt en hoogstwaarschijnlijk beiden als AG worden beschouwd.[11]

Bij APE wordt de informatie van frequentie automatische ge-encodeerd. Een reflex die niet uitgezet kan worden. Deze encodering van frequenties beperkt zich niet tot muzikale tonen, maar werkt voor elk akoestisch signaal. Deze houdt verband met het aangeboren model, het gaat hier om extra zenuwbanen of verschillen in hersengebieden. Veel onderzoeken gaan ervan uit dat encoderen gebeurt aan de hand van plaats codes die beschikbaar blijven tot aan de cortex.

Bij de HTM groep wordt er bij de analyse van tonen een vergelijking gemaakt met tonen in het geheugen. Het is dus zo dat deze mensen dan ook beter zouden presteren bij bekende tonen of op bekende instrumenten met eigen timbre en bereik. De HTM groep houdt verband met het aangeleerde model (zie hfdst 4.6). Het zou bereikt kunnen worden door intensieve training van herhaalde presentatie van tonen.
De NAP groep beschikt niet over het vermogen om alleenstaande tonen te benoemen. De analyse van geluid gaat louter via relatief gehoor.[9][11]

Andere onderzoeken rechtvaardigen deze indeling. In het onderzoek van Itoh et al.[19] is er met electroencefalogram (EEG) naar corticale processen gekeken. Er is gecategoriseerd naar prestaties op de AG test. Hier bleek dat de groep met de beste prestaties op de test andere event-related potentials (ERP’s) heeft dan de overige groepen. Dit duidt mogelijk op encodering door de AG mensen, iets dat voor de andere groepen niet mogelijk is. Ook hier was een groep aanwezig die goed presteerde op de AG test en vergelijkbare muziektraining heeft gehad, maar zich in ERP’s niet onderscheidde van de niet AG mensen. Vergelijkbaar met de HTM groep. In het onderzoek van Keenan et al.[18] blijkt dat mensen met AG een asymmetrische planum temporale bezitten en zich zo onderscheidde van de overige groepen.

4.3 Subcorticale veranderingen

Zoals hierboven genoemd staat wordt de oorzaak van AG vaak gezocht in het encoderen d.m.v. plaatsbepaling. Ross et.al[11]. heeft gebruik gemaakt van HP stimuli (Huggins pitches) om te bepalen wat het belang van de plaatsbepaling is bij het encoderen. Een Huggins pitch is een zwakke toon die kan worden gehoord in een witte ruis. Het waarnemen van deze toon is alleen mogelijk wanneer beide oren worden gebruikt. Het signaal is in beide oren is gelijk in amplitude en in fase, behalve in een klein frequentiegebied rondom een geselecteerde frequentie (meestal 400 Hz) waar bij in één van de oren de fase met 180 graden verschoven is (omkering polariteit). Dit HP signaal maakt het onmogelijk om gebruik te maken van de plaatsbepaling.

Bij dit onderzoek kwam zowel de APE als de HTM groep goed uit de test. Dit betekend dat er op zijn minst een ander (extra) mechanisme moet zijn dat zorgt voor de encodering. Een mogelijk mechanisme is de periodiciteits bepaling (zie hoofdstuk 2.5, het onderdeel phase locking). Wanneer louter periodiciteitsbepaling gebruikt wordt zou dit betekenen dat er boven de 5kHz, uitgaande van het Volley principe van Wever, geen gebruik van AG mogelijk is, hier is helaas geen onderzoek van. [6][11][13]

Normaliter verliest men de informatie voor AG bij het doorlopen van de hersenstammen. Een theorie voor het behoud van deze informatie is de aanwezigheid van extra zenuwbanen bij mensen met AG (Ross et al.[11]). De extra banen komen waarschijnlijk voort uit de banen met de periodotope informatie. Als deze banen zouden voortkomen uit de tonotope banen, dan was er bij het experiment met de Huggins pitches geen mogelijkheid tot het gebruik van AG. Deze extra banen lopen parallel aan de route die het signaal normaliter aflegt alleen worden hersencentra, die zorgen voor verlies van informatie, omzeilt (zie figuur 4.1). Deze banen komen uiteindelijk terecht in de hogere hersenkernen of direct bij de cortex. Mogelijk wordt hier weer gebruik gemaakt van een tonotope indeling, die ook in hogere hersencentra aanwezig is, hoewel er normaliter waarschijnlijk geen gebruik van gemaakt kan worden. De signalen kunnen mooi gecategoriseerd worden en het is van hieruit mogelijk om een verbale koppeling aan deze categorieën maken. Helaas zijn er geen onderzoeken waar deze banen daadwerkelijk zijn aangetoond en nader onderzoek zal het bestaan moeten bewijzen. [1][11]

4.4 Verschil in hersengebieden

Het verschil in de activiteit van de hersengebieden kan ook enige duidelijkheid geven. Er is een correlatie gevonden tussen de asymmetrie van de planum temporale (PT) en de prestaties op AG testen. De PT wordt al lange tijd geassocieerd met taal en auditieve processen. In het onderzoek van Keenan et al.[18] is gekeken of er een significant verschil is in asymmetrie van de PT tussen musici met AG, musici zonder AG en niet musici. Uit dit onderzoek, dat gebruik maakt van MRI, blijkt dat de musici met AG significant (P<0,001) verschillen van zowel de musici zonder AG als de niet musici. De niet musici en musici zonder AG verschillen niet significant van elkaar. Na aparte analyse van de linker en rechter kant blijkt de asymmetrie te danken aan een kleinere rechter PT ipv een grotere linker PT. Dit stemt overeen met een eerder uitgevoerd onderzoek door Schlaug et al. De resultaten suggereren de ontwikkeling van een kleine rechter PT waardoor een anatomische en hierdoor waarschijnlijk ook functionele dominantie van de linker PT ontstaat. Dit is mogelijk een oorzaak van het ontstaan of verkrijgen van AG. Alleen blootstelling aan muziek(lessen) is niet voldoende voor het ontstaan en hier is mogelijk een genetische factor bij betrokken. Ook het onderzoek van Zatorre et al.[10] komt op een verband tussen asymmetrie van de planum temporale en de prestaties op de AG test. Dit onderzoek is uitgevoerd op een kleine groep, maar de resultaten wijzen wel in dezelfde richting.[10][18]

In het onderzoek van Itoh et al.[19] is er aan de hand van ERPs (event-related potentials) gekeken naar corticale processen bij AG en RG. In dit onderzoek worden mensen in vier klassen van AG ingedeeld. De High-AP, Mid-AP, Low-AP en untrained. De untrained groep bestaat uit mensen die minder dan één jaar professionele muziekles hebben gehad. De overige personen zijn ingedeeld op score van de AG test. Het aantal jaren van muzieklessen zijn voor de High-AP en Mid-AP gelijk.
In het onderzoek worden verschillende testen gedaan. Er is een luistertaak, waar men louter moet luisteren, een taak waar men de tonen moet benoemen en een incongruentie test. Deze laatste heeft te maken met valse informatie. Het is een Stroop test waarbij de naam en de toon niet overeenkomen.

Er zijn verschillen in ERP componenten gevonden tussen de High-AP groep en de andere groepen. Dit zijn twee positieve pariëtale en één negatieve frontale die in de lagere groepen een grotere amplitude hebben dan in de High-AP groep. De eerste positieve is de P3b met een centrum-pariëtale piek tussen de 300 en 450ms. De tweede positieve golf is de ppSW (parietal positive slow wave) met een piek rond de 450ms. Deze beide golven worden niet in de High-AP groep waargenomen. In de Low-AP en untrained groepen wordt nog een negatieve golf waargenomen de fnSW (frontal negative slow wave). Deze begint na 400ms en blijft aanhouden tot het eind van de analyse. Het feit dat deze niet voorkomt in de Mid-AP groep duidt op een RG proces dat voornamelijk van belang is voor mensen zonder AP of mensen die niet genoeg training hebben gehad.

Het beoefenen van solfège met behulp van RG omvat drie processen: 1 de identificatie van de toon door vergelijking met eerder gehoorde tonen, 2 het maken van een verbale koppeling en 3 het bewaren van de tooninformatie in het werkgeheugen voor eventuele latere referentie. P3b is de eerste golf en wordt daarom geassocieerd met de identificatie van de toon door vergelijking van de toon met andere tonen in het werkgeheugen. Het feit dat de P3b onafhankelijk is van incongruentie pleit voor deze stelling, er is namelijk nog geen verbale koppeling gemaakt dus kan deze ook niet storen. De ppSW wordt geassocieerd met de tweede stap, namelijk de verbale koppeling. Het feit dat Incongruentie een significant effect op de amplitude van de ppSW heeft, is hier een goed argument voor. De incongruentie test stoort bij het maken van de verbale koppeling, door het geven van verkeerde informatie. Hierdoor zijn er extra corticale processen nodig om de valse informatie te onderdrukken en de correcte informatie in het werkgeheugen te behouden. Dit verklaard de grotere amplitude van de ppSW.

In figuur 4.3 is te zien dat de ERP’s in de High-AP groep bij de luistertaak (zonder het benomen van tonen) en de test met benoemen van de tonen gelijk is. Dit duidt erop dat het benoemen van tonen een automatisch proces is. Er wordt geen onderscheid gemaakt, men kan het proces niet uit zetten.[19]

De High-AP groep heeft buiten het ontbreken van de ERP’s die gezien worden bij de andere groepen nog een eigen unieke ERP. Dit is een linker posterieure temporale negativiteit in het onderzoek “AP-negativity” genoemd. Deze heeft een piek bij 150ms en is significant negatief in vergelijking met de vooropgestelde baseline in deze groep (t(10)=4.4, p<0,005).[19] In figuur 4.3 is te zien dat dit alleen bij de High-AP groep voorkomt en dat het bij zowel de luister als benoem taak wordt waargenomen. De Mid-AP groep met gelijke training heeft deze piek niet en dit kan dus niet worden toegewezen aan muzieklessen. Dit bevestigd de neurale activiteit in de linker auditieve cortex bij AG mensen.[19]

Het onderzoek van Zatorre et al.[10] komt met vergelijkbare resultaten. Hier is met behulp van PET (positron emission technology) door de cerebrale doorbloeding te meten en met MRI gekeken naar corticale processen. De mensen zonder AG hebben een veel actievere rechter frontale cortex. Dit is belangrijk bij het waarnemen van de toonhoogte informatie. De aangedragen theorie is dat mensen met AG het werkgeheugen kort nodig hebben voor encodering van de frequentie maar geen behoud van tonen in het geheugen nodig hebben. Dit laatste is wel het geval bij de overige groepen, aangezien deze een vergelijking moeten maken met andere tonen om deze te kunnen identificeren.
Een ander gebied, de posterieure dorsolaterale cortex, is actief in de mensen met AG bij het luisteren naar individuele tonen. Dit is mogelijk de regio waar de verbale koppeling wordt gemaakt. Opvallend is dat beide groepen activiteit van deze regio laren zien bij het benoemen van intervallen. De niet AG groep is in dit geval wel in staat om de tonen te benoemen (met relatief gehoor).[10][16]
Tervaniemi et al.[14] toont aan de hand van ERP’s aan dat musici in het algemeen eerder veranderingen in toonhoogte waarnemen ongeacht de grootte van de verandering. Daarbij zijn ze ook veel preciezer bij deze taak. De amplitude van de N2b en P3 componenten is groter bij musici dan niet-musici. Er is niet gekeken naar het verschil tussen AG en niet AG bezitters.[14]

4.5 Verbeterd geheugen

Een ander aspect van AG is het wel of niet aanwezig zijn van een verhoogd auditief geheugen. In het artikel van Ross et al.[11] is hier onderzoek naar gedaan. Er is hier een onderverdeling gemaakt in drie groepen, namelijk APE, HTM en NAP (zie pag.20). Dit onderzoek bestaat uit twee delen, een ervan met sequenties van losse pianotonen, de ander met sequenties van tonen verwerkt in akkoorden. Er zijn steeds sequenties van 1,4 of 7 tonen of akkoorden met hierop volgend een te onderzoeken toon. De personen moesten aangeven of deze onderzoekstoon in de sequentie voorkwam. In 50% van de gevallen was dit zo en wanneer dit niet het geval was dan deze een halve toon verhoogd of verlaagd. De onderzoekstoon was altijd terug te vinden in de tweede of derde positie van de sequentie al dan niet met een afwijking van een halve toon of minder.

In het eerste experiment, met de losse tonen, is er een voordeel voor de mensen met APE of HTM aangezien ze de tonen kun benoemen en deze op die manier kunnen onthouden. Bij het ontwerpen van de akkoorden is hier rekening mee gehouden en getracht akkoorden te construeren die niet benoemd kunnen worden. Daarbij is er een kort tijdsinterval genomen, 800ms, wat het onmogelijk maakt zo snel de tonen te labelen in het akkoord. Elk akkoord bestond uit zes tonen, de grondtoon, de grote terts en reine kwint een octaaf hoger, de grondtoon drie octaven boven de bas. Hieraan werden nog twee tonen toegevoegd, de sext of septiem onder of de none of undecium boven het terts/kwint cluster. Met deze in de muziek genaamd “blue” noten kon worden gevarieerd.

In figuur 4.3 op de volgende pagina is te zien dat bij de individuele tonen alle groepen boven kans presteren. De APE groep is de enige die ook bij de zeven tonen tegen de 100% aan zit. Dit komt mede doordat er in de APE groep mensen zaten die wel in 800ms individuele tonen kunnen benoemen, iets dat niet in de HTM groep het geval was. In de test met de akkoorden blijkt de HTM groep bijna net zo goed te scoren als de APE groep. Dit betekend dat mensen met AG geen beter geheugen hebben dan de niet-AG mensen met genoeg muzikale training zoals bij de HTM groep het geval is. Dit is gebaseerd op één onderzoek, dus om er daadwerkelijk een uitspraak over te doen moet er meer onderzoek naar worden gedaan.[11]

4.6 De “Early Learning Theory” (ELT)

Deze early learning Theory houdt in dat AG ontstaat door vroege blootstelling aan muziek en dan met name muzieklessen. Het is de tegenhanger van de theorie over de erfelijke factoren die in hoofdstuk 4.7 wordt besproken. Eén ding is zeker, voor het benoemen van noten moet de arbitraire schaal aangeleerd worden. Het is niet mogelijk dat men weet dat een A 440 Hz is zonder dat dit ooit verteld is.

De definitie van AG is hier heel belangrijk. Gaat het om de verbale koppeling of een automatische encodering. Als we de eerste laten varen, is het mogelijk om AG in mensen te ontdekken die nooit muzieklessen hebben gehad en zou dit de ELT onderuit halen. Wil men louter de ELT aanhangen dan beweert men daarmee dat iedereen wordt geboren met de mogelijkheid tot ontwikkeling van AG. Onderzoek bij pasgeborenen laten wel zien dat deze gebruik maken van absoluut gehoor boven relatief gehoor.[16][20]

Het is in ieder geval zeker dat muzieklessen een essentiële rol spelen in de ontwikkeling van AG. De meeste onderzoeken komen uit op een kritische periode. Dit is de periode waarin er muziektraining moet zijn begonnen, na deze periode is het niet meer mogelijk om AG te verkrijgen. In het onderzoek van Keenan et al.[18] blijkt dat alle musici met AG op één na voor het zevende levensjaar muziektraining hebben gehad en dat het verkrijgen van AG na het elfde levensjaar zeer onwaarschijnlijk is. Het is helaas niet duidelijk op welke leeftijd die ene persoon, die hierbuiten viel, is begonnen met muzieklessen (was dit wel voor het elfde levensjaar?). In het onderzoek van Zatorre[16] wordt beweerd dat zonder muzikale training voor een bepaalde leeftijd het onmogelijk is om AG te ontwikkelen. Deze bovengrens van de kritische periode is onduidelijk maar wordt hier geschat op 9-12 jaar. In het onderzoek van Baharloo et al.[17] heeft iedereen die tot de AG groep hoort, voor het zesde levensjaar muzieklessen gehad.

Hoewel alle mensen met AG muzieklessen hebben gehad binnen de kritische periode geldt het tegenovergestelde niet. Niet alle mensen die muzieklessen hebben gehad binnen deze periode hebben AG ontwikkeld. Dit zou betekenen dat niet iedereen de mogelijkheid heeft tot de ontwikkeling van AG of dat het sterk afhankelijk is van de soort training. Gaat het om het louter spelen van een instrument of wordt er ook aandacht besteed aan solfège. Helaas komt in de onderzoeken niet naar voren wat de desbetreffende muziektraining is geweest en is hier dus ook geen uitsluitsel over. Hoewel de soort lessen wel invloed hebben (bespelen van verschillende instrumenten en instrumenten met vaste tonen, zoals piano, of juist niet, zoals viool) kan dit niet de oorzaak zijn van de ontwikkeling van AG. In het onderzoek van Zatorre[16] wordt vermeld dat velen AG hebben ontwikkeld met weinig muziektraining. De blootstelling aan tonen met de namen was voldoende.[16][17][18]

Geschreven door: Dhr. Sebastiaan D.T. Sassen, BSc (Universiteit Utrecht, Farmaceutische Wetenschappen)

Referentielijst:

[1] Pickles JO. An introduction to the physiology of hearing. Birmingham: Academic press; 1988. p. 367.

[6] Robin. Sound frequency. 2001. Beschikbaar via: http://www.execulink.com/~robin1/da_freq.html bezocht op 18-07-2006.

[9] Levitin DJ, Rogers SE. Absolute pitch: perception, coding, and controversies. In: TRENDS in Cognitive sciences. Elsevier 2005, 9(1): 26-33.

[10] Zatorre RJ, Perry DW, Becket CA, Westbury CF, Evans AC. Functional anatomy of musical processing in listeners with absolute pitch and relative pitch. Neurobiology 1998, 95: 3172-3177.

[11] Ross DA, Gore JC, Marks LE. Absolute pitch: music and beyond. Epilepsy & behaviour 2005, 7: 578-601.

[13] Hawkins HL, McMullen TA, Popper AN, Fay RR. Auditory Computation 1995, Springer: 345-346.

[14] Tervaniemi M, Just V, Koelsch S, Widmann A, Schröger E. Pitch discrimination accuracy in musicians vs nonmusicians: an an event-related potential and behavioural study. Exp Brain Res 2005, 161:1-10.

[16] Zatorre JR. Absolute pitch: a model for understanding the influence of genes and development on neural and cognitive function. Nature neuroscience 2003, 6(7): 692-695.

[17] Baharloo S, Service SK, Risch N, Gitschier J, Freimer NB. Familial aggregation of absolute pitch. American journal Human Genetics 2000, 67: 755-758.

[18] Keenan JP, Thangaraj V, Halpern AR, Schlaug G. Absolute pitch and planum temporale. NeuroImage 2001, 14: 1402-1408.

[19] Itoh K, Suwazono S, Arao H, Miyazaki K, Nakada T. Electrophysiological correlates of absolute pitch and relative pitch. Cerebral cortex 2005, 15: 760-769.

[20] Saffran JR, Griepentrog GJ. Absolute pitch in infant auditory learning: evidence for developmental reorganization. Developmental Psychology 2001, 37(1): 74-85.

Geef een reactie