Angststoornissen

In de DSM-IV worden de volgende angststoornissen onderscheiden:

  • Paniekstoornis met en zonder agorafobie (PS)
  • Sociale fobie (SF)
  • enkelvoudige fobie (EF)
  • Obsessief-compulsieve stoornis (dwangstoornis) (OCS)
  • Gegeneraliseerde angststoornis (GAS)
  • Posttraumatische stress-stoornis (PTSS)
  • Acute stress-stoornis (ASS)
  • Angststoornis ten gevolge van een algemene lichamelijke aandoening
  • Angststoornis ten gevolge van middelengebruik.

De laatste drie angststoornissen in de DSM-IV zullen in deze richtlijn verder niet aan bod komen. De acute stress-stoornis (ASS) komt grotendeels overeen met de post-traumatische stress-stoornis (PTSS). Het grootste verschil met PTSS is het tijdscrite-rium: wanneer de symptomen korter duren dan één maand dan is er sprake van ASS. Wel zal er in deze richtlijn aandacht worden geschonken aan hypochondrie (de angst of overtuiging een ernstig lichamelijke ziekte te hebben), alhoewel deze stoornis in de DSM-IV onder de somatoforme stoornis wordt ingedeeld.
Van de verschillende angststoornissen zullen kort de belangrijkste kenmerken volgens de DSM-IV worden genoemd, alsmede enige gegevens over het voorkomen.

4.2.1 Paniekstoornis met en zonder agorafobie (PS)

Van een paniekaanval is sprake als de angst intens is, plotseling begint en tenminste 4 van 13 in de DSM-IV genoemde symptomen binnen 10 minuten tot een piek komen. Het betreft symptomen, zoals een kloppend of bonzend hart, of versnelde hartslag, zweten, trillen of beven, gevoelens van ademnood, het gevoel te stikken, etc. Het voorkomen van paniekaanvallen betekent niet per se dat er eveneens sprake is van een paniekstoornis. Bij een paniekstoornis zijn de aanvallen niet voorspeld en niet gebonden aan een situatie en zijn patiënten tussen de aanvallen door vaak gespannen en bang voor nieuwe aanvallen. Het komt vaak voor dat patiënten tevens een angst voor publieke gelegenheden ontwikkelen, zoals warenhuizen, treinen, restaurants en bioscopen, waar men bij het optreden van een paniekaanval moeilijk kan ontsnappen of hulp kan krijgen. Er wordt gesproken van paniekstoornis met agorafobie wanneer spontane paniekaanvallen gepaard gaan met situatieve angst en vermijding van der-gelijke publieke gelegenheden.
De paniekstoornis met of zonder agorafobie komt vrij regelmatig voor. Afhankelijk van hoe strikt de criteria zijn, die gehanteerd worden, lijdt 1 tot 5 procent van de be-volking aan een paniekstoornis. Bij mensen die vanwege een angststoornis een be-roep doen op de ambulante geestelijke gezondheidszorg voldoet 50 tot 60 procent aan de diagnostische criteria voor paniekstoornis met agorafobie. De diagnose pa-niekstoornis zonder agorafobie wordt ongeveer twee keer zo vaak bij vrouwen gesteld als bij mannen, de diagnose paniekstoornis met agorafobie zelfs drie tot vier keer zo vaak.
In termen van de International Classification of Functioning, Disability and Health (ICF) van de World Health Organization (WHO) leidt PS zeker in combinatie met ago-rafobie vaak tot beperkingen met betrekking tot zelfverzorging en het huishouden, alsmede participatieproblemen doordat het beroepsmatig en sociaal functioneren ern-stig kan worden aangetast.

4.2.2 Sociale fobie (SF)

Sociale fobie heeft betrekking op de hardnekkige angst voor één of meer situaties waarin de betrokken persoon is blootgesteld aan de mogelijk kritische beoordeling door anderen, en waarin hij bang is zich belachelijk te maken. Bij de sociale fobie kan men een onderscheid maken tussen de gegeneraliseerde sociale fobie en de specifieke sociale fobie. Ongeveer 90% van de sociale fobici is bang voor ten minste twee ver-schillende situaties en 45% voor minimaal drie verschillende situaties. Bij een sociale fobie van het specifieke subtype is er sprake van fobie in slechts één bepaalde situa-tie. Voorbeelden hiervan zijn: de angst voor het spreken in het openbaar, trillen of zweten in sociale situaties of de angst dat men zich belachelijk maakt door datgene wat men zegt.
De lifetime-prevalentie varieert van 3 tot 13 procent. Het voorkomen van sociale fobie is evenwichtig verdeeld over de seksen. SF resulteert in termen van de ICF vaak in interpersoonlijke beperkingen en participatieproblemen doordat sociale situaties op het werk en in de privé sfeer aanleiding geven tot angst en vermijding.

4.2.3 Enkelvoudige fobie (EF)

Bij een enkelvoudige fobie is er sprake van een aanhoudende en irrationele angst voor een bepaald object of voor een bepaalde situatie. Deze objecten en situaties hebben veelal betrekking op angst voor dieren, afgesloten ruimten, hoogten, onweer en bloed en/of medische handelingen. Blootstelling aan de angstverwekkende prikkel resulteert meestal in een verhoogde lichamelijke ‘arousal’. Bij bloedfobie daarentegen treedt na een kortdurende verhoging van de arousal een duidelijke verlaging van hartslag en bloeddruk op en kan de persoon in kwestie flauw vallen. Veelal kunnen de angstver-wekkende situaties worden vermeden.

De jaar-prevalentie van een specifieke fobie bedraagt ongeveer 9 procent. De meest voorkomende enkelvoudige fobie is de fobie voor dieren. Bij degenen die ook in hun volwassenheid last blijven houden van een dierfobie, zijn vrouwen in de meerderheid.
Over het algemeen leidt een enkelvoudige fobie niet tot ernstige beperkingen of parti-cipatieproblemen. Soms kunnen gezien de aard van de enkelvoudige fobie wel beper-kingen (bijvoorbeeld een slechte zelfverzorging ten gevolge van een fobie voor ziek-te/letsel/bloed) of participatieproblemen op het werk optreden (bijvoorbeeld een fobie voor vliegen bij personen die internationaal mobiel moeten zijn).

4.2.4 Obsessief-compulsieve stoornis (dwangstoornis) (OCS)

Bij de OCS staan steeds terugkerende dwanggedachten en/of dwanghandelingen cen-traal. Dwanggedachten (obsessies) zijn steeds terugkerende, aanhoudende gedachten of beelden die spanning oproepen. Deze gedachten of beelden worden als onvrijwillig beleefd, maar wel als een product van de eigen persoon. De dwanghandelingen (com-pulsies) zijn herhaalde en schijnbaar zinvolle handelingen, die volgens bepaalde regels op een stereotiepe wijze moeten worden verricht. Het doel van de compulsies is het neutraliseren van spanning of het voorkomen van bedreigende gebeurtenissen/situa-ties. Bij een OCS heeft de patiënt last van zijn klachten, kosten deze de patiënt meer dan één uur per dag of verstoren ze in ernstige mate het dagelijks functioneren.

De OCS is relatief zeldzaam. De lifetime-prevalentie wordt geschat op 2.5 procent en de jaarprevalentie op 1.5 à 2.1 procent. Ongeveer evenveel mannen als vrouwen lij-den aan een OCS.
De obsessief-compulsieve stoornis resulteert veelal in ernstige interpersoonlijke pro-blemen en sterke interferenties met het beroepsmatig functioneren.

4.2.5 Gegeneraliseerde angststoornis (GAS)

Patiënten met een gegeneraliseerde angststoornis zijn altijd nerveus en gespannen en tobben over allerlei kleine, dagelijkse gebeurtenissen. Dagen met klachten zijn in de meerderheid en de patiënt heeft moeite de tobberijen onder controle te houden. Ver-der heeft de patiënt last van klachten, zoals concentratieproblemen, spierspannings-klachten, slaapstoornissen, snelle vermoeibaarheid, etc.
De jaarprevalentie van GAS zou ongeveer 3 procent bedragen. GAS wordt vaker bij vrouwen dan bij mannen gediagnosticeerd.
In termen van de ICF komen interpersoonlijke beperkingen bij de gegeneraliseerde angststoornis relatief het meest frequent voor.

4.2.6 Posttraumatische stress-stoornis (PTSS)

Bij een posttraumatische stress-stoornis wordt gesproken over de gevolgen van een ingrijpende gebeurtenis, waarin betrokkene met de dood of ernstig letsel is bedreigd of de lichamelijke integriteit is bedreigd. Het betreft situaties als: bankovervallen met geweld, de confrontatie met iemand die ernstig gewond is of gedood, verkrachtingen, overstromingen, etc. Bij PTSS moet er sprake zijn van herbelevingen bijvoorbeeld in de vorm van terugkerende, beangstigende dromen of herinneringen met betrekking tot het trauma. Hiernaast komt eveneens vermijding van stimuli voor die in verband staan met het trauma of een verdoving van de algemene responsiviteit. Ten slotte zijn er langdurige symptomen van toegenomen spanning of opwinding, die niet aanwezig waren voor het trauma (zoals prikkelbaarheid of woede-uitbarstingen, overdreven schrikreacties, zich moeilijk kunnen concentreren).
Hoeveel mensen in de open bevolking aan PTSS lijden is niet precies bekend. De meeste cijfers hebben betrekking op personen die een beroep hebben gedaan op de hulpverlening. In een van de weinige bevolkingstudies in de VS bleek PTSS bij 1 pro-cent aanwezig. Van de burgers die slachtoffer waren van fysiek geweld leed 4 à 5 procent aan PTSS. Van Vietnam veteranen die verwondingen hadden opgelopen leed 20 procent aan PTSS.
Interpersoonlijke beperkingen (bijvoorbeeld wantrouwen naar anderen of sociaal iso-lement) en problemen in de beroepssfeer komen relatief het meest frequent voor. Problemen in de beroepssfeer zijn vooral te verwachten als blootstelling aan het trauma in het kader van het werk plaatsvond (wat niet zelden het geval is).

4.2.7 Hypochondrie

Mensen die lijden aan hypochondrie interpreteren op zich onschuldige lichamelijke gewaarwordingen als mogelijke tekenen van een ernstige ziekte. Er wordt van hypo-chondrie gesproken bij een preoccupatie met de vrees of met de overtuiging een ern-stige ziekte te hebben wanneer deze preoccupatie blijft bestaan ondanks adequate medische beoordeling en geruststelling. Verder veroorzaakt de preoccupatie aanzien-lijk lijden of beperkingen in het dagelijks functioneren.

De prevalentie van hypochondrie in de algemene bevolking is onbekend, terwijl de prevalentie in algemeen medische populaties ergens tussen de 4 en 9 procent wordt geschat. Ten aanzien van de sekseratio zijn er geen duidelijke aanwijzingen voor ge-slachtsverschillen in het voorkomen van de stoornis. Door het tot voor kort ontbreken van duidelijke diagnostische criteria en de grote overlap met andere angststoornissen moeten deze cijfers echter met voorzichtigheid worden geïnterpreteerd.
Over het algemeen geeft hypochondrie geen aanleiding tot veel beperkingen of parti-cipatieproblemen. In uitzonderlijke gevallen treden interpersoonlijke problemen op wanneer anderen te veel betrokken raken bij de rituelen van de persoon met hypo-chondrie.

Geef een reactie